 |
Bij de ingang van de zaal waar Goethes kindertijd en jeugd wordt getoond, hangt een door de cartograaf Matthaeus Seutter ontworpen stadsplan in kleur van Frankfurt am Main uit 1749, het jaar waarin Goethe geboren werd. Deze afbeelding geeft precies weer hoe de door dikke muren omringde vrije rijksstad er uitzag toen Goethe op de wereld kwam. Dicht bij dit stadsplan ligt in een vitrine het krantenbericht van Goethes doopsel uit de ‘Wochentlichen Franckfurter Frag- und Anzeigungs-Nachrichten’ en waarin voor de eerste maal Goethes naam in het openbaar te lezen is. Het ouderpaar is te zien op een reliëfportret vervaardigd door Melchior, specialist op het gebied van porceleinen medaillons. Daaronder hangt een aquarel van Goethes statig ouderlijk huis ‘am Groβen Hirschgraben’, waar Goethe tot zijn vertrek naar Weimar zijn kamer had op de derde verdieping, onder de gevel van het huis. |
 |
In die tijd bracht de stad Leipzig de beste juristen voort. Kaspar Goethe spaarde daarom de kosten niet en zond zijn zoon naar deze stad. Maar zoonlief hield zich daar liever bezig met theaterbezoeken, tekenen en het schrijven van gedichten. Als aandenken aan deze studentenjaren in Leipzig ligt de eerste druk van Goethes dichtbundel geschreven gedurende deze tijd: de Neue Lieder. Op de titelpagina van deze bundel is enkel de naam van de componist en Goethes vriend Breitkopf te lezen. Wie de dichter is wordt niet genoemd. Maar in ons exemplaar draagt Goethe het boek met een handgeschreven tekst op aan zijn studiegenoot Langer, die ook wist van Goethes liefde voor Kätchen Schönkopf, de jonge vrouw op wie deze gedichten grotendeels betrekking hebben. Brieven aan zijn familie, het manuscipt van de in Leipzig vervaardigde vertaling van scènes uit Corneilles Menteur, en etsen die Goethe onder leiding van zijn tekenleraar Oeser vervaardigde, laten zien dat de jonge man zich lang niet alleen met zijn studie bezighield. Goethe wilde vooral werken aan zijn algemene ontwikkeling: Gottsched en Gellert beïnvloedden hem daarom meer dan zijn professoren. Omdat Goethe deze dichters zo nadrukkelijk in zijn autobiografie noemt, worden in deze zaal hun portretten getoond.
|